Komen er opnieuw kamervragen zoals men deed toen Jan Hanlo zijn oote oote boe schreef?

 

Er staat langs de weg

Geen steen of graf

Als een verwant die niet opricht

 

(Hávamál)

 

Een witregel.

Om dit gedicht te laten uitwasemen. Daarna zou ik de duiding van dit kleine gedicht kunnen gebruiken als inleiding op een stuk over de poëzie.

Nee. Toch niet de duiding. Misschien later. Direct duiden is als een zwachtel binden om onontgonnen gebieden die ik in veelvoud bezit maar voorgoed worden bedekt terwijl mijn eerste lezing nog gaande is. Een bepaalde uitleg die een richting uitgaat en iets anders al uitsluit, geeft niet genoeg ruimte aan een gedicht dat met zorg is gemaakt. Daar ga ik van uit.

De eerste indruk van een gedicht, kan je dat gevoel noemen? Bevinden we ons dan in het gevoelsgebied van de lezer? Of doet de ratio al mee omdat we het over taal hebben en taal niet ontkomt aan betekenissen die ze oproept. We hanteren veel gemeenplaatsen in onze taal over de dingen. In onze conversaties worden ze herhaald. Daarom zou het gedicht lezen en daarna eerst zwijgen, een goede aanwijzing kunnen zijn. Voor je het weet zegt iemand iets over het gevoel dat hij bij het lezen van een gedicht krijgt en roept het bij de ander ergernis op omdat die het gedicht rationeel wil verklaren. Voor je het weet staan gevoel en verstand als twee fenomenen ieder aan een kant van de sloot of op twee verschillende schollen waarop continenten drijven. Daartussen een grote spleet die tot in de diepte van de aarde reikt waar de chemische reacties gifgassend eens in de zoveel tijd naar boven worden gestuwd. We construeren in de taal al langer scheidslijnen zoals die tussen gevoel en verstand om daarmee het spreken vaart te geven in een vaargeul met immer twee zijden.

Overal slaan netwerken hun polariserende donkere schaduw over onderwerpen en paren de paren om een bepaald onderwerp heen cirkelend, om hun eigen gelijk te cultiveren. De taal zal er niet van schrikken. Zij zal niet wakker worden geschud, bekend als ze van oudsher is, met alle ‘paren van tegenstellingen’.              Het gevoel en het verstand, neem ik hier nu eens aan, weten van elkaars bestaan. Zij hebben een relatie met elkaar, geen basalten wand ooit uit vuur opgerezen, tussen hen in. Terugkomend op bovenstaand gedicht; ik zet mijn analytische vermogen voorlopig in een vervallen wachthokje bij een denkbeeldige bus of tram. Daar vindt mijn denken vaker plaats, tussen hoeken van staal en glas, beton of steen, waar het zich bezighoudt met zijn eigen gedachten die door mij nog niet bewust worden gedacht.

Aankondiging; Het gedicht wordt hier toegestaan zichzelf te zijn boven een stuk tekst waarin ik de poëzie overdenk.

‘Waar er veel gepraat is over de dingen, zijn de dingen zelf ver weg’

Een uitspraak die me eerder boeide en in de context van dit schrijven past. Je zou voor het zelfstandig naamwoord ‘dingen’, andere zelfstandige naamwoorden kunnen invullen die blaken van zelfstandigheid; ‘Bomen’, of ‘Honden’. ‘Boeken’. ‘Horloges’. De uitspraak suggereert hoe de taal verder van ons weg ligt dan de dingen zelf wanneer taal over dingen wordt gelegd. Dat er een afstand ontstaat tussen het subject en de dingen zodra de taal, dingen benoemt. Bij het uitspreken van taal, zien we de slipjassen van de wezenlijke duiding der dingen om de hoek wegglippen omdat we taal lieten klinken, loslippige domkoppen als we zijn. Een moment vol taligheid legt een stoflaag op het water van een bron. De taal past in een folder die reclame maakt voor het zo min mogelijk gebruik van de taal in dienst van het zwijgen, wil men een zo helder mogelijke relatie nastreven met de dingen.

Maar de fase van de peuter die de eerste dingen in zijn omgeving leert vertalen in woorden die als eerste diamanten worden geslepen, had ik niet over willen slaan. Ik merkte direct de grote voordelen van de taal boven het zwijgen. Ik kreeg dingen gedaan van mijn moeder die ik nooit eerder voor elkaar kreeg en die huilende strot was tenslotte vermoeiend. Toen ik eenmaal liep op dat breed begaanbare pad waar vele familieleden al flink in rond struinden en ik mijn eerste gedachten, verbond aan uitspreekbare woorden en zinnen liet vormen, en direct hevig merkte hoe ik mijn prille werkelijkheid ten gunste van mijzelf nog veel meer kon beïnvloeden, was ik niet meer weg te slaan van de taal. Mijn Wil werd verklankt en gedragen - ja beantwoord met het gunstige gedrag van een ander! Met het gebruik van de taal wordt je leven drastisch gewijzigd.

Waar een schilder zijn kwasten en verf gebruikt, de beeldhouwer zijn gips, steen, polyethyleen of latex, gebruikt de dichter, woorden. Soms wordt een herkenbare situatie uitvergroot en slaat een intieme openbaring aan het slot van een gedicht toe. Soms wordt de taal in de poëzie gebruikt alsof we met het gedicht in de krant staan tussen de brij van non-fictie in en lost het zichzelf daar bijna op. Soms buitelen de woorden over elkaar heen en word je dronken van taalmuziek.                    Hoe dan ook; goede kunst is zichzelf. Goede poëzie is zichzelf. Je kan haar vergelijken met een kunstwerk. De dichter is een kunstenaar die zijn materiaal zelfs meeneemt naar de bakker - al weet hij dat hij daar de taal zal gebruiken om er vooral in de eerste plaats dat nut mee te dienen wanneer hij zinnen formuleert die helder maken dat hij een volkoren brood nodig heeft.

Het bronzen beeld hoeft zich niet keurig te gedragen en of zich volledig bewust te zijn van zijn functie of nut. Het gedicht hoeft dat ook niet. Denk hier aan de revolutionaire leegtes van het blanke linnen tussen de talloze verfplekken op de schilderijen van Edvard Munch. De dichter mag zich wild of ingetogen gedragen en alle gradaties er tussenin gebruiken. Net wat hij verkiest en bijdraagt aan dat ene ding wat iedere kunstenaar wil; de juiste vorm tegenkomen waarmee hij effect kan sorteren die als een spiegel, de werkelijkheid van een ander gezicht voorziet. Hij treft via de poëzie Elders. Hij gebruikt geen bodemschat maar woordenschat, materiaal dat meer dan ooit tevoren, in vele vormen om ons heen ratelt en op iedere straathoek ligt te gisten. Overal ligt het in medemens en tabellen. In kranten. Overal is zijn klei en marmer aanwezig in tram en in levenloze gedrukte teksten op schermen, boeken en teksten die liggen opgeslagen. De dichter gebruikt materiaal dat tevens iedere seconde doel probeert te treffen, orde te stichten, overeenkomsten te tekenen, chaos of helderheid te veroorzaken via mail, sms-sissende of retwitterende berichten.  'Ze' zijn allemaal 'schrijvers' van een bepaalde soort geworden en 'ze' laten hun geestelijke windjes via de schrijvende taal, achter zich.

Maar de kunst lijkt weer in de beklaagdenbank te worden geplaatst. De dichtkunst uit Arabië gedraagt zich nooit elitair, maakte een burgemeester van een stad onlangs helder in zijn betoog. En laatst zong ik op een avond, georganiseerd voor bibliothecarissen. De organisatie had ik nadrukkelijk van tevoren gezegd dat ik behalve zanger vooral ook dichter was en een gretig lezer. Of ik ook een gedicht zou kunnen voordragen? Dat kon niet. Het ging nu om de bibliothecarissen. Het ging vooral om het in het zonnetje zetten van alle mensen die bij de bibliotheek werkten en ook iets in hun vrije tijd schreven. Dus de ene kwam voorlezen en de ander las voor. Teksten waarvan de poriën soms snakten naar verbreding van spanwijdtes, alle moederlijke toejuichingen van de organisatie ten spijt. En er liep een man uit Irak in het taalcafé naar me toe met zijn ogen nog in het serum van ongeloof ondergedoopt. Zijn begeleider legde hem uit dat zijn gedichten - die de maatschappelijk werkster voor hem had vertaald in eenvoudig Nederlands - zouden worden gepubliceerd! Gedichten over dieren die naar huis lopen en daar veilig kunnen wonen wederom, zijn nodig in deze wereld. Zulke gedichten willen gelezen worden door andere Irakezen en Nederlanders. Bibliothecarissen die schrijven, mogen bestaan en zijn belangrijk. Maar de dichters? Ze zingen te hoge noten!

De dichter als kunstenaar, rijdt meer dan ooit tevoren, vandaag, a priori een scheve schaats wanneer hij juist de taal als zijn materiaal kiest. Tussen de stalen rasters van de meningencultuur in, die we met elkaar hebben opgericht, komt de dichter aanlopen op lege schoenen, gevuld met zijn lege voeten. Heeft hij zijn linkervoet in zijn rechterschoen geplant. Hij gebruikt woorden die nog meer gratis zijn geworden, en wanneer hij ze op hun rug legt, daarna dubbel vouwt en als nieuwe eenlingen in een vlak zet dat zichzelf totaal en schijnbaar isoleert van de autobiografische werkelijkheid, kunnen ze daar nog lang blijven liggen!                              Dicht aanleunend tegen het grenzeloze immense wilde westen van ons gemeenschappelijke talige excessengedrag, is de poëzie een malloot geworden die een loopje neemt met ons bestaan. Mag dat wel?                                                                                                                                                                                        Staan er genoeg politieagenten op de hoek die waken opdat onze bergen van taal niet gerelativeerd worden door taal die zich totaal anders gedraagt in smalle eigenaardig ogende kaftjes die ons in de boekhandel aangluren? Is de poëzie een vrijheidsbrief voor de totale anarchie? Komen er opnieuw Kamervragen zoals toen Jan Hanlo zijn oote oote boe had geschreven en men zich openlijk afvroeg waar het met de poëzie naartoe ging in Nederland? Of hunkert de schrijfster van dit stuk naar die tijd? Naar die vragen die leiden tot een tweedekameroverleg. Mag men nog onzin verkopen via de kunst? Bestaat de 'onzin' nog naast het 'zinvolle'? Of is de literaire verbeelding een bewijs van een achterlijke jeugd, afwijking in den geest, en dus ja, blijve men liever bij de alom te vertrouwen biografische werkelijkheid want wanneer het echt is gebeurd leest het toch makkelijk weg.

Is de poëzie de vogelvrij verklaarde vogel? Is de werkelijkheid opnieuw jaloers op de kunst?

‘Poetry can communicate before it is understood’

(T.S. Eliott)

Tijdens eerste lezing van een gedicht zie ik een paar beelden bij elkaar staan, die nog nooit zo bij elkaar zijn gaan staan. De sfeer die ze oproepen beweegt iets, raakt me. Ik wil geraakt worden in mijn binnenste binnenste. De dynamiek op een wit stukje papier dringt door. Ik hoef niet perse het Shakespeareaanse herkenningspunt in een situatie als ingang te nemen. Ik ben niet op zoek naar herkenning of identificatie. Ik nader een vuur en probeer me te warmen. En als ik koud blijf is dat voor mij geen probleem. Dan nader ik een andere keer weer een vuur. Hetzelfde vuur of een ander vuur.

Er is moed voor nodig om verder te lezen en te wandelen op het waterige pad dat poëzie lezen soms kan zijn; het leven soms kan zijn! De kunst niet in de beklaagdenbank maar de mens, schreef Kafka. Reageerders zijn nog geen zaaiers. Plaats de reageerders eens even in de beklaagdenbank en leer ze opnieuw hoe aan een vuurtje te ruiken. De vrijheid kan hoog worden opgevoerd om de toeschouwer vrij te laten in wat hij beleeft wanneer hij leest of in een museum kijkt naar een beeld uitgevoerd in brons of steen. Het is de vraag of je met die vrijheid om kan gaan die de kunst biedt. Ik ken geen vrijer en mooier mens dan een mens die kunst maakt of van kunst geniet. De ware erotiek. Net wat u zegt. Als kunstenaar de eeuwige beginner blijven en ook als toeschouwer, lezer.

Maar tegelijkertijd links en rechts? We mogen niet tegelijkertijd met een been op de ene en met de andere op de andere schol wijdbeens staan en de dampen van de gifgassen uit de aarde tot aan onze neuswortels laten wegkwijnen in onze hersenpan. Al zag ik onlangs in Ijsland wel een toerist met zijn twee benen op twee afzonderlijke schollen staan. Heel parmantig liet hij zich fotograferen met uitgestrekte armen. Het was alsof hij vol trots een reusachtige magmavis torste. Natuurlijk liet hij zich fotograferen! In Ijsland kan het. Tegelijk hermetisch en of toegankelijk zijn. Meestal dienen we alles tot gemakkelijke avatars te reduceren en in te kleuren zodat we wederom erover kunnen…spreken. Scheidslijnen hanteren. Recensies lezen. Ballencodes noteren. En reageren.

De kop bijt hier in zijn eigen staart. Want verheldert mijn taal hier eigenlijk wel? Is dit een pleidooi, lezer? Houd ik een preek voor mijn eigen verbannen continent? O dichter. O lieve magmavolle dichte, je probeert het, met je kunst een gebied als een tijdelijk oord aanbieden waar kristallen worden geploegd in het innerlijk van de lezer. De dichter is een kunstenaar. Zijn materiaal is taal. De dichter wil raken.

Conclusie

Men kan poëzie gewoon lezen. Ook wanneer de lezer het denken af en toe in een vervallen wachthokje plaatst. Zwijgen levert tijd op en nuance terwijl de internetfora al weer iets omver blazen. Dat vormt tevens een mooi paar op... van…tegenstellingen. Kom, laten we zwijgen tussen de puinhopen in van de taal, in dienst van de Kunst.

 

GROßE FUGE  

Een uitnodiging met bijbehorende foldertekst via de mail. Het is een stroompje. Dat verder sult. Ik sla de woorden van de foltertekst over. De innemende woorden over het bijzondere muziekstuk zijn genoeg. Ze veren van het stof ontdaan, wiegen als dunne beloftevolle draden in mijn hoofd. Het zal gaan gebeuren. Binnen niet al te lange tijd, zullen de Grosse Fuge en ik zich in een en dezelfde ruimte bevinden.                                                                                                                   Toch klikken op de knop. De tekst van de folder licht op. Flarden tekst lezen en hopen op niet al te hoge frequenties die het oor verdoven. Uitzicht over bergtoppen. Dat het stuk ooit het laatste deel was van een ander stuk (strijkkwintet opus 130). De Große Fuge is een torso. Beethoven sneed het onderste deel van opus 130 af en maakte een nieuw kunstwerk dat opus 133 werd. Geen tegenvallende tekst. Interessante informatie. Iets over het creatieve proces. Over creatieve processen lezen. Welke obstakels er zijn geweest, welke creatieve beslissingen genomen voordat de boot uiteindelijk uit de haven ging varen. De doofheid van B. De complete woekering tijdens het componeren. Alertheid op aan. Een equivalent lezen van het oor van van G. Breed aangelegd asfalt in de uitverkoop; de platgewalste feiten die zich met veel gemak keer op keer vermenigvuldigd hadden en wijd verbreidden. Op tijd alert genoeg blijven anders zouden de belevingssynapsen worden plat geplaveid. Ik klik de foldertekst uit. En verheug me. Geestdrift groeit als een jonge plant met het naderen van de datum, de dag waarop dit stuk zich aan mij zal openbaren.    

Ik ben een dubbelhoevig wezen. Mijn kop vol onverwerkte wildheid. Ik ben een hyena die geen beeldspraak bezit en een grote witte tablet inneemt zodat de canons kunnen dalen. Ik ben vernederd. Ik ben een vernederde door het slaghout van vijf violen in een kakofonische cocon ondergewikkeld. Ik ben gek geworden ergens tussen de vlechtpatronen van twintig snaren. Ik voel mij een droomgons. Ik kom tot de verbreding van zestien gevoelens en tap daarna mijn roofdier direct af in een warme beek. Enkele steunpunten kraaien. Ik zwijg. Ik ben iemand die nadert. En ik word genaderd. Het vuur nadert mij en ik halfdronken, oh hoe kan ik nog denken? Dat komt van al het gedraai op de scherpe punt van deze pin maar gelukkig is er weer de warme beek ook al is zij geen refrein. De warme beek kent geen malse strikvragen en wil niets, maar dan ook niets van mij maken en zij is geen refrein. Het is stil. Op een stoel blijven zitten in een zaal waar andere mensen stil zitten nadat laatste klanken ebben. Andere mensen, waarvan sommigen een abonnement bezitten zodat ze zich met regelmaat verzekeren van enige cultuurverpleging. De dag erna brengt de folder vormen van uitbreiding aan waarin een violist wordt geciteerd; 'Als je eruit raakt, kom je er nooit meer in'. Ik was erbij en erin geraakt. Twee dagen erna ben ik er nog in. Ik reis in de Grosse Fuge kriskras door mijn heerser die mij beheerst als een bizarria. De Große Fuge in mij en ik in haar. Ik vermoed veel, ik ben een hele mens. Iedere betekenis ligt met de poten omhoog, weggevaagd.