'REALITY FAVOURS SYMMETRY'

Ik liep door een bos. De veelheid van de stammen dwongen iets af. Ik dacht na over het leven en wat ik erin kon onderscheiden, besloot voorlopig dat er van veel fenomenen, twee waren. Ik las over paren van tegenstellingen bij Aristoteles. Wij bewegen als vlooien tussen polen, heen en weer tussen paren van tegenstellingen. En het midden draagt een kleur. Lao Tze noemt het midden geel. Jorge Luis Borges schrijft dat de realiteit een voorkeur heeft voor symmetrie. Waarom staan er twee ganzen, twee porseleinen paardjes of kaarsenkandelaars op de vensterbanken tot in de verste uithoeken van Nederland? Niet het ene object, niet het andere, maar twee samen. Zijn het de twee polen naast elkaar gezet zodat een gevoel van orde ontstaat of is het een andersoortig duet? Op het filmfestival in Rotterdam zie ik in 2016,een film van Hong Sang Soo; Right now, wrong than. De film bestaat uit twee delen. Het jaar erop, draait nog een film van hem op dit festival; Yourself and Yours, over een eeneiige tweeling. Ik ga er een zaak van maken, besluit ik. De dynamiek uitproberen van de beweging tussen de polen.

De hier getoonde schilderijen, vormen paren. Soms zijn er twee min of meer identieke vormen te vinden in 1 vlak. Soms horen 2 schilderijen bij elkaar. Zo stoei ik mij een weg en probeer de beweeglijkheid tussen de polen uit totdat ik er bijna huiselijk van word. Enkele van deze schilderijen zullen worden tentoongesteld in 2017 in de Wallgallery te Rotterdam.

In de vierde bundel gedichten wordt de symmetrie ook belicht.

 

SAMEN MET EDDIE TRAINEN

In een cultuur leven waar de ars moriendi nadrukkelijk wordt aangeleerd na het bereiken van een bepaalde leeftijd. Ik stel me een cultuur voor die niet met de Verlichting in aanraking gekomen is. Diep in de spelonken van een gebergte worden rituelen uitgevoerd van generatie op generatie. Ik zie het voor me. Een met donkergerand gebladerte omgeven cirkelachtige ruimte, wordt langzaam betreden door iemand die de leeftijd bereikt waar het om gaat. De hoofdpersoon wordt in een voor hem bestemd ritueel uitgenodigd om naar voren te treden, en zich over te geven aan de diepste krachten in hem. Alle gelaten schijnen in bijna identieke gelaatsuitdrukkingen. Slechts kleine nuances laten verschillen toe. Generatie-trekken blijven sterk intact. De groep leidt de hoofdpersoon tot overgave aan een volgende fase. Een transformatie wordt in gang gezet middels een ritueel waarin een bepaalde uitrusting voor het ouder worden, wordt doorgegeven. Ouder worden, vereist een bepaalde uitrusting en hiervoor zorgdragen lijkt op het begin van een training. Wanneer het leven bijna eindigt en het steeltje losbreekt van de groep kan er dankzij deze training een eenvoudige punt worden gezet waarna de oren zich vullen met as.

Maar ik leef in een cultuur waarin andere transformaties op de eerste plaats zetelen. De wind snelt in een draf. Veert het zand op van de stoep. Een nieuwe gemeentebank arriveert in de buurt. Wacht op de eerste inscriptie met het mes. De bezwerende handeling ongezien geschiedt. Waar men geen moeite mee heeft. Een stempel achterlaten op een gemeentebank en de technologische revolutie op de schoot. Een schermpje vol mogelijkheden. Er zijn nog veel systemen die op elkaar moeten worden afgesteld. De onderdelen in de handel. In een winkel in het westen, liggen de groenten en ventilatoren niet naast elkaar zoals in een verlaten agglomeratie ergens in Afrika. Waar onderdelen per tongval binnenkomen langs duistere wegen en slijtage van andere gevoeligheden geldt, als ook de eenzaamheid van onderdelen, het vrijelijk gebruik van onderdelen, de nieuwe creativiteit wanneer ze roeien met de joviale onderdelen. Een ventilator bijv. waaraan een andere stekker. Een Europese stekker verschilt van een Amerikaanse stekker. De onstuimige werelden die achter stekkers ruisen. Hoe ze aan elkaar verdienen.                                                                                                  

De jas is weggebracht en hangt aan een anonieme haak. De ontvangst van een nummertje. Tussen de naden van de stof hangen grondige onderdelen van iemand. Je kan naar een voorstelling gaan en iets aantrekkelijk vinden terwijl grondige onderdelen tussen de naden blijven hangen. In een rij achter iemand staan en aan een kust denken. Zoveel mensen kunnen niet door een deur naar een theaterzaal. In een rij staan en denken aan het vloedwater dat tegen bazalten blokken slaat. Het ferme meisje bij de slappe friet. De smaakpapillen die rechtop stonden terwijl het lichaam al in bed lag.  Jungs Antwoord op Job. Jobs vertrouwen is een waterval die de wereld indringt en dan weer naar buiten stapt. Een waterval op steeds dunnere stralen. Wanneer de stralen spiezen worden, is het met de waterval gedaan. Wat komt er terecht van een half verlichte kamer? Het doek trekt open. Is de acteur spontaan als de spons die het water opzuigt. Of werkt hij aan het openen van zijn mond? De mensen stromen naar buiten in de pauze. Buiten hangt de maanschijf. Krabben op de bodem van de zee kruipen over elkaar heen en struikelen en sterven onder levende schilden van soortgenoten. Aan het oppervlak, morgen, de surfer pikt golven mee die hij kan gebruiken. Vorige generaties hoefden niet spontaan te zijn. Dat voordeel hadden zij. Vorige generaties spraken met pilaren tussen de tanden. Vroegen tijd aan een vreemde. De stiksels aan zijn kraag lijken op een eigenzinnig patroon, een logo misschien van een loge. Vreemde tekens die bezweren dat je bij een groep hoort. De groep meer spreekballonnen van jou kent dan die je ooit hebt uitgesproken. De man reageert vriendelijk. Hoffelijk. Hij schenkt me de tijd. Ik wil nog een keer om de tijd vragen. Ik wil mijn hand op zijn mouw leggen. Langer met hem zijn. Een moment zijn schenking voelen en zijn vignet opbollend door het bloed van de groep. Om de tijd vragen houdt een verdachtmaking in. Het wordt niet zo vaak meer gedaan. Begin en einde zijn al gepasseerd wanneer je om de tijd vraagt. Je kan alleen kijken naar de in een jas verscholen gedaante, die zich heeft verenigd met zijn grondige onderdelen. Titel eraan geven; ‘Tijdschenker bij tijdvraagster’. De adem stokt niet. God maakt nergens een einde aan. Het licht blijft binnenvallen en de vooruitzichten zijn eindeloos.

‘Het sterven van alle dagen trainen’, roept Eddie. Eddie roept vaker iets uit dwergbeen geschaafd. ‘Voor mij geen rijtuig aan het eind van het pad dat ooit krakende wielen in gang zet’, zegt Eddie. 'Kijk naar het beeld van de dansende rode schoentjes die in een cirkel over een geruite vloer lopen’. Pianogeluid, feest. Hele ranke voetjes zijn in rode schoentjes geduwd, er worden armen gespreid. Eddie ziet blond haar voor zich, dat met een gouden glans over alle tijd heen glijdt. En de lokken die bijna niet bewegen wanneer ze danst, de stapjes zijn klein, twijfelend aarzelend fijn. Vastgenageld aan de grond. De schoentjes lopen een vastgenagelde route. Of is het een geit vol behoefte die daar doorzichtig loopt? Eddie vraagt het mij. Of het een geit is die stiekem uit zijn hok sloop en zijn kans greep. De rode schoentjes heimelijk aan zijn hoeven plakte en op hakjes wankelend danst. Eddie houdt niets tegen. Hij brengt dingen samen. Hij wil zijn individuele schuitjes varen, die al worden voortgedreven. Eddie vindt dat het steeds meer gaat lijken in zijn leven. Steeds vaker verlaat hij het feest op tijd om in de kamer ernaast plaats te nemen. Op een stoel te zitten, geluiden te horen die op woorden lijken. Hoe ze klinken, de vele woorden. Hoe verschillende klanken worden uitgewisseld en wat er afgeroomd wordt. Op tijd ontspringen. Verder trainen. Je gaat nooit verloren, zegt Eddie. Nieuwe dingen komen op je af waar je iets mee kan als een nieuwe melodie die in een holte past.

Op tijd luieren, zegt Eddie. Het maakt de training over de hele linie beter. Luieren is een zachte uitdijende dood die met warme handen groet, zegt hij. Met Eddie trainen. Periscoop uitzetten, de natte boot op het droge land parkeren en zien of een gangbare route verschijnt. 'Hallo land', roepen en een weg nemen door het kreupelhout. Waar de hond loopt. Zijn ogen zijn die van een wolf. Loeren scheef van onder naar boven. Hij loopt en kijkt voortdurend achterom. Of ik volg. Of ik me heb overgegeven aan zijn plan. Zijn instinct in zijn plan. De hond wilt me de weg wijzen. De hond woont hier al lang. Het is een groot zeker gevoel buiten alle wetenschap om dat in me neerdaalt. De inflatie van ons instinct. Samen de berg op. Het struikgewas verdicht zich en ik raak verstrikt. Mijn lijf is drie keer hoger dan het zijne. Op een gegeven moment moet ik op handen en voeten verder kruipen. Hij kromt zijn rug, buigt zijn flanken, springt behendig van de ene naar de andere plek, soms op een half belopen pad dat half overwoekerd ligt. Kijkt nog een keer om als zijn tong een lichtroze vlag in het felle zonlicht houdt en versnelt. Ik kom uit de struiken en richt me op. Zie hem nergens meer. Prikkende takken striemend in mijn onderarmen geëtst. De helling vlak, met grasland bedekt. Geen bruine rug. Een punt van herkenning. De bijl dreunt. Ik sta op de rand van een vertigo. De vermoeidheid bezit al mijn hielen. Ik zie dunne kiezels. Het pad waarop ik sta, komt uit op een bekende nerf. Ik zal via die nerf achter de wei van de boerderij uitkomen waar ik verblijf. En daar ligt hij.

Rug tegen de gepleisterde muur. Poten met de voetkussens zijwaarts als een jager vol romantiek, uitgestrekt. Ogen dicht gevouwen in de zon. Flinke porties condens ritmisch uit de bek. Een en al uitademing in de uitverkoop.

 

GROßE FUGE  

Een uitnodiging met bijbehorende foldertekst via de mail. Het is een stroompje. Dat verder sult. Ik sla de woorden van de foltertekst over. De innemende woorden over het bijzondere muziekstuk zijn genoeg. Ze veren van het stof ontdaan, wiegen als dunne beloftevolle draden in mijn hoofd. Het zal gaan gebeuren. Binnen niet al te lange tijd, zullen de Grosse Fuge en ik zich in een en dezelfde ruimte bevinden.                                                                                                                   Toch klikken op de knop. De tekst van de folder licht op. Flarden tekst lezen en hopen op niet al te hoge frequenties die het oor verdoven. Uitzicht over bergtoppen. Dat het stuk ooit het laatste deel was van een ander stuk (strijkkwintet opus 130). De Große Fuge is een torso. Beethoven sneed het onderste deel van opus 130 af en maakte een nieuw kunstwerk dat opus 133 werd. Geen tegenvallende tekst. Interessante informatie. Iets over het creatieve proces. Over creatieve processen lezen. Welke obstakels er zijn geweest, welke creatieve beslissingen genomen voordat de boot uiteindelijk uit de haven ging varen. De doofheid van B. De complete woekering tijdens het componeren. Alertheid op aan. Een equivalent lezen van het oor van van G. Breed aangelegd asfalt in de uitverkoop; de platgewalste feiten die zich met veel gemak keer op keer vermenigvuldigd hadden en wijd verbreidden. Op tijd alert genoeg blijven anders zouden de belevingssynapsen worden plat geplaveid. Ik klik de foldertekst uit. En verheug me. Geestdrift groeit als een jonge plant met het naderen van de datum, de dag waarop dit stuk zich aan mij zal openbaren.    

Ik ben een dubbelhoevig wezen. Mijn kop vol onverwerkte wildheid. Ik ben een hyena die geen beeldspraak bezit en een grote witte tablet inneemt zodat de canons kunnen dalen. Ik ben vernederd. Ik ben een vernederde door het slaghout van vijf violen in een kakofonische cocon ondergewikkeld. Ik ben gek geworden ergens tussen de vlechtpatronen van twintig snaren. Ik voel mij een droomgons. Ik kom tot de verbreding van zestien gevoelens en tap daarna mijn roofdier direct af in een warme beek. Enkele steunpunten kraaien. Ik zwijg. Ik ben iemand die nadert. En ik word genaderd. Het vuur nadert mij en ik halfdronken, oh hoe kan ik nog denken? Dat komt van al het gedraai op de scherpe punt van deze pin maar gelukkig is er weer de warme beek ook al is zij geen refrein. De warme beek kent geen malse strikvragen en wil niets, maar dan ook niets van mij maken en zij is geen refrein. Het is stil. Op een stoel blijven zitten in een zaal waar andere mensen stil zitten nadat laatste klanken ebben. Andere mensen, waarvan sommigen een abonnement bezitten zodat ze zich met regelmaat verzekeren van enige cultuurverpleging. De dag erna brengt de folder vormen van uitbreiding aan waarin een violist wordt geciteerd; 'Als je eruit raakt, kom je er nooit meer in'. Ik was erbij en erin geraakt. Twee dagen erna ben ik er nog in. Ik reis in de Grosse Fuge kriskras door mijn heerser die mij beheerst als een bizarria. De Große Fuge in mij en ik in haar. Ik vermoed veel, ik ben een hele mens. Iedere betekenis ligt met de poten omhoog, weggevaagd.

 

NAAST  R

Gemis was niet het goede woord. De keren dat we samen waren geweest hadden iets aangesneden en wolken trokken opmerkelijk open. Het enthousiasme van de groep verbleekte. De woordgrappen vielen als dode slakken in hun huizen en ik besloot naar hem toe te gaan. Hij kwastte wat wij mensen waren vergeten. Hij bouwde dat zorgvuldig weer op. Het was lang geleden. Zeventien jaar. Zijn adres tweeledig, zoals de staat waarin hij leefde. Twee adressen, twee levens. Een, volledig onder toezicht in een afgeschermd gebied waarvan iedereen wist dat het een gekkenhuis betrof waar huizen je nariepen en nawezen, aan je bio roken, ja voor je het wist veegden ze de stoep met je aan. Het andere leven, in een onder toezicht gestelde woning, midden in de stad. Het ene leven met dagopvang en werkstukken in een hoek van een kamer waar de herinnering aan een etenslucht in zijn hoofd een veilig pad aanlegde, het andere leven met één been in een huiskamer waar een jongen speelde. De jongen speelde dat hij een autist was. Zo had hij zich voorgesteld. Ik belde aan bij het huis midden in de stad. De jongen zei: 'Hallo, ik ben autist'. Ze hadden het hem gezegd. Hij ging akkoord. Ik zei hallo terug en dat ik liever voor me hield wie ik was. Ik werd binnengelaten. R was er niet. Kwam later. Ik keek in de huiskamer. Spullen stonden zwaar te ademen. Voor de zoveelste keer stonden ze te ademen; hier was sprake van een bij elkaar geraapte inboedel. Hier hoorde een grootmoeder bij een buffetkast, een weduwnaar op een stoel en bij de salontafel een voorover gebogen vrouw die haar borsten uit haar jurk golfde. Bij elkaar geschoven deed niemand zijn best om er iets van te maken. Het nut overgebleven en de enige heerser in de kamer. Bij deze kamer hoorde een schuur, zei de autist. Een schuur waarin verschillende fietsen stonden voor de bewoners maar ook voor de bezoekers. In dit huis werden bezoekers toegestaan. Bezoekers die vroegen hoe het ging en aandacht strooiden en bezoekers die naar de parkieten kwamen kijken in de kooitjes. Iedere keer het verschil meten tussen hun eigen officieel erkende vrijstaat en die van de inwoners in de onder toezicht gestelde groepswoning. Zaken werden genoteerd. Daaraan viel iets af te leiden. Het werd genoteerd en hoe men vervolgens probeerde daar zo goed mogelijk mee om te gaan. De autist was een goede schaker. Wanneer hij de karnemelk goed inschonk beloofde hij dat het een schitterende schaakpartij kon worden. De autist draaide de dop van de fles, hield het glas onder een schuine hoek. Het is niet hetzelfde als een bierglas waarin bier wordt getapt, zei hij. De karnemelk gedwee in het glas. Hij reikte. Ik wilde toch iets drinken? Ik wilde graag karnemelk. Er was een nacht geweest dat mijn smaakpapillen bedolven raakten door de eerste smaak van karnemelk. Grenzeloze witte zeeën wierpen een ruime eerlijke blik op de toekomst. Ik mocht nog een glas en nog een en nog een. Als een volgelopen tonnetje met twee armpjes en beentjes, gleed ik in mijn kinderbed. Ik besloot een potje te schaken. Hij won dik. Het verbaasde me dat hij zich niet verveelde. Mijn nivo was zo laag dat mijn stukken leken weggebeamd door Spock. Maar R kwam niet. Nog niet, zei hij. Zou ieder moment thuiskomen. Het was heel goed wanneer ik wachtte. Hij keek me lang en indringend aan. Het leek alsof de autist tijdelijk in mijn gezicht woonde terwijl hij tegen me sprak. R zou komen. De nauwgezetheid van een autist beslaat een werelddeel dat niet met zich laat sollen. Ik nam plaats in de sky-leren bank. De schoenen van R stonden naast een stoel aan de rechterkant. Hetzelfde sky-leer stond verveeld want wat doet alles er toe wanneer maan en sterren nooit kunnen worden aangeraakt? Wanneer meubels al zoveel inwonenden hebben verdragen terwijl dezelfde sterrenhemel aan het venster staat van jaren en jaren. Onmiskenbaar de schoenen van R stelde ik vast na zeventien jaren. Flink doortrapt. Een teken van veel gebruik of van beweeglijke voeten die veel schoenenparen nodig hebben in één mensenleven. Ik wist niets van zijn voeten af en miste een belangrijke bron van informatie. Voeten zeggen hoe men zich geruisloos verwijdert, hoe men grenzen verlegt, op welke zielen men trapt. Ik had hem al bijna zeventien jaar niet meer gezien. Het ongeluk werd medegedeeld door iemand aan de telefoon. Er waren trossen mensen teruggereisd naar het zuiden om hem te bezoeken. Van belang gebleven voor kunstenaars. De man gebleven die een vinger vol licht had gelegd op een spaarzame plek. Nee, ik wilde niet nog een glas karnemelk of een partijtje schaken. Maar de autist in de kamer vond niets doen ingewikkeld. Ieder meubelstuk werd een klok met getallen en de wijzers zwiepten. Ik kon beter een partijtje schaak spelen en de combinatie van karnemelk en schaken voor mijzelf uitproberen. We speelden. Lieten veel stukken ongemoeid. Zijn zetten walsten meedogenlozer. Met twee lussen snoerden zijn paarden mijn koningin. Ik blies de aftocht. Ik liet hem de tekening zien die ik had meegenomen en het gedicht dat ik voor R maakte. Niet dat het gedicht hoorde bij de tekening. De autist keek en zweeg op een mooie manier. Als een edelman met een jonge wetenschappelijke geest. Dus ik liep naar het raam en schoof het gordijn opzij. Straatlantaarns sloegen bundels op straat en ik meende een gestalte te zien fietsen. Ik wist dat R een fiets gebruikte uit de schuur die bij het huis hoorde. Het mocht van beide plaatsen waar hij woonde. De toezichthouders van beide huizen hadden ingestemd. Hij betekende geen gevaar voor zichzelf noch de medemens, wanneer hij fietste. Door de hele stad fietste. Naar alle bekende plaatsen, cafés waar hij graag kwam en vrienden in de buurt, tentoonstellingen in het museum en ga zo door. Hij weefde zijn netten in de stad die hij kende en waar hij naar was teruggekeerd. 'Je kan hier slapen', zei de autist en groef zich een tunnel via mijn neus in mijn gezicht. 'Het zijn allemaal schone lakens in de logeerkamer. Iedere week brengen ze nieuwe lakens. Die er nu liggen zijn gisteren gebracht'. Heldere stem. Nauwgezet en met voorzichtige lijntjes ingekleurd. Lakens als schone vrienden. Het idee overviel me maar de laatste trein was bijna gevlogen dus wat kon ik anders dan blijven. Er heerste een stille vastberadenheid vanaf het moment dat ik deze ochtend was opgestaan. Een vastberadenheid die steeds aanwezig bleef en paste bij deze situatie waarin de ene de ander wilt ontmoeten terwijl we slechts een paar keer in dit mensenleven elkaars aura hadden geproefd. Geen echte relatie, maar een paar momenten gedeeld en die waren al lang uitgekristalliseerd zoals in zeventien jaar een organisme kan worden opgebouwd en kan verdwijnen. Ik had het eerst gevraagd aan de verzorgster. Of hij het leuk zou vinden. Hij glimlachte, zei ze toen ze mijn naam noemde. Ik twijfelde. Hoe het voor mij zou zijn wanneer ik een ongeluk te boven was gekomen maar niet meer mijzelf kon verhullen in taal en gebaren. Wanneer ik niet meer kon spreken. We hadden elkaars randen afgetast. Of we misschien verliefd zouden kunnen raken. We liepen over een bospaadje. Er sprong een kikker. Ik zei: 'Goeden dag, kikker!' Hij zei: 'Oh'. Hij vond mij mooi. Iets waar ik gevoelig voor was. Uit zijn mond klonk het als een verder reikend oordeel. Voorbij mond en tanden. Gehemelte. De onderwereld in. Hij keek me aan en in zijn ogen legde hij zachte begroeiingen waar ik blij van werd. Hij gaf me een boek van Multatuli. We tekenden een man met een hoed en een meiske dat naakt bij de man stond. Het meiske zag de noodzakelijkheid in om de man aan het lachen te maken. Ze boog op handen en voeten want indrukwekkende vormen ontstonden uit de grond waaraan je kon ruiken en waarvan de zoete lucht bedwelmde. Een aquarel aan een muur. De koffie gezet. Muziek van de Talking Heads. Hij was heel aanwezig in zijn atelier aan de rand van de hei. Het eerste succes had de flank van het witte paard lelijk geraakt. Het zou niet lang duren voordat de deuren van een galerie in New York open zwaaiden. Nu bleef hij weg. Misschien had hij door de spleet van het gordijn van buiten naar binnen gekeken. Was hij rechtsomkeert gegaan en bij een vriend logeren. Dacht hij dat het vreemd was om elkaar na zo'n lange tijd te zien. Maar over wat hij dacht, wist ik niets; een stille woonboot lag op het ijs en verder niet. De autist waste de vaat en maakte het aanrecht schoon. Een late actie op de avond voor een autist. Ik had hem ontregeld met mijn aanwezigheid. Ik besloot mij terug te trekken. De autist wees op het naamkaartje op de deur naast de logeerkamer. R had zijn naam er helder op gezet. De wereld was groot en R ergens daar in. In de buurt van de cirkel waarin ik me bevond, meer wist ik niet. Gesteven lakens zijn nadrukkelijk blij met een bezweet lichaam dat van elders komt. De chemische lucht bracht me naar een donker gat waar ik met gemak inviel, weg was ik. Ik moet een paar uur geslapen hebben. Ik werd wakker door het aanknippende licht op een overloop dat zoete voorraden uit de kinderhuid tevoorschijn haalde. Overlooplicht hoort bij thuiskomsten. Toen besefte ik waar ik was. Op de logeerkamer met frisse lakens. De avond was een grote schaakpartij van wachten geweest op R en aan de kamerdeur naast mij werd gemorreld. Een sleutel draaide in het slot. Het lopen van het water uit een kraan. Ik duwde mijn oor tegen de muur en hoorde water van iets dichterbij. De kraan dichtgedraaid. Het geschuif van voeten over een vloer en het geluid van het gewicht van een lichaam dat op een oude matras viel. Met de vaart mee vallen. Je lichaam is je vriend, je valt het beste met de vaart mee. Daar gaan de oude snaren van de matras van zingen en dat deert niet want de nacht is een oude tak en die breekt zo af. Niets wordt er verder nog onthuld. De kamer is in al zijn eenvoud een neutrale plaats zoals in het lichaam neutrale plaatsen aanwezig zijn die de dingen laten rusten die ooit mogelijk waren maar nooit meer terug zullen komen. Ik kruip in bed. R in bed en ik in bed en zij werden toegedekt door moeder nacht. Na zeventien jaar naast elkaar slapen met een onvervalste muur tussen ons in. Een indringende performance uitgevoerd door twee. De karnemelk stribbelt om de voorrang. Ik sluip de trap af in mijn naakte lichaam alsof ik uit de tekening ben gestapt. De autist kan kraken horen tot op het bot en moet op onderzoek uit dus ik sluip als een onbeweeglijke. Met een ontspannen blaas wil ik opstijgen. Hetzelfde gemorrel. De verwachting dat er een lichaam naar beneden komt. Hoe het lichaam zich in beweging zet. Ik zie een vorm hangen over de eerst trede. Ik vermoed een voet, goed zie ik niets. Ik moet me nu niet tonen. De naaktheid van mijn huid in de nacht is goed maar de naaktheid van de waarheid in de nacht te groot. Hij komt naar beneden want heeft zijn ritme gevonden. Ik moet mij achter de keukendeur naast de wc verschuilen en hopen dat hij niet in de keuken moet zijn. Mijn naakte lichaam drukt zichzelf plat tegen de keukendeur en verplaatst mij in de meest anonieme staat. Ik ben niet hier, ik was hier nooit. Ik besta slechts op de kade van een andere stad waar hele andere mensen wonen met herinneringen aan een tweede oorlog. De waterstraal klettert krachtig. Hier is een wc voor. Of een toilet. Je kan doortrekken. Het is fijn dat we wc's in het leven hebben geroepen. Of toiletten. Na vele eeuwen omringen we ons met toiletten. Hij sluit de deur. Zijn terugtocht trekt een sleep van zeventien onzichtbare jaren over de treden. Ik loop de kamer in. Een tweede paar schoenen staat naast het andere paar. Hij zit op de bank om schoenen uit te trekken. De tafel. Het kleedje. Het goedkope kleedje. De kristallen asbak. Het schaakbord op de tafel. Mijn plastic zak met de tekening in een lijst en het gedicht. Lieve R, gisterenavond heb ik geschaakt met je huisgenoot de autist en op je gewacht. Ik sliep naast je in de logeerkamer. Hier is een tekening en een gedicht. Voor jou. Veel liefs, P. De koekoeksklok wijst half zes. Ik loop naar boven en trek mijn kleding aan die aan een toekomst denkt. Het zachte geglij naar beneden. Ik zet de koningin op het bord met twee paarden er tegenover. Als het goed is lopen er treinen op het hele en halve uur. Ontmoetingen hebben plaatsgevonden. En wat bleef bewaard.

 

 

OM BEURTEN CIRKELEN

Hier op straat leeft het zonlicht gewillig. De straat is een bedreven kind. De zon kent het bedreven kind. De stenen zijn schuin gelegd en bevatten het snelste geheugen dat er is. Er rijden geen goederentreinen. Die zijn voor jongens die in bergen wonen. Die jongens kennen we niet. En ook al zou je er een leren kennen, dan ken je ze nog altijd niet. Kijk, de zon kiepert een nieuwe scheut licht op de straat. De hele dag vraagt erom. De zon geeft het. Ze staan buiten in de zon. Een opgewonden stemming rondom een nieuwe fiets brengt mensen naar buiten op een lieve straat. In dit fragment zal straks een stem van klank verminderen. Maar zover is de straat, de fiets, het kind en de man nog niet. De eerste fiets is een vallende ster. Deze komt uit de hemel vallen en roept je naam. Eerst wordt je opgetild en op de fiets gezet in een kamer waar het warm is. Later wordt je opgetild op de fiets die buiten op straat in de warmte staat van de zon. Waar knieën luisteren naar het moment dat zich binnenkort zal versnellen. De rondwentelende voeten op de trappers weten hoe je overal naar binnen zou kunnen rijden en dan weer naar buiten. In schuren, straten, bospaden, andere schuren, straten, andere bospaden. In regenbuien, door herfstbladeren. In het bos met de bomen waar de takken nooit blad krijgen en in elkaar verstrikt staan en duisternis geen enkele droom voedt, mag je van pappa en mamma niet komen met je nieuwe fiets. Die afspraak is goed want je nieuwe fiets wil dat ook niet. Er is veel licht op straat dat de fietsbandjes verbaast en je bandjes kunnen je verder brengen door een gebaar op je rug. O hosanna. Kom, om beurten cirkelen jullie. Pappa houdt je vast dan kan je niet vallen. De straat is aantrekkelijker dan ooit. Voeten, zijn levendige dieren die rondcirkelen en de hand op je rug is waar je vandaan komt. Dit is je eerste eeuw op deze fiets. De glippende stenen zijn zuiver en zullen nooit in een moeras geloven. De voeten hebben veel in petto voor de fiets en de hand. De hand? De hand van je afkomst ligt op je rug en is van je afkomst. Je afkomst, de hand van je vader. Deze stenen met de richels, deze bel als knooppunt van het heelal, deze zijwanden van gevels die meebewegen en aan de rand blijven staan. Deze trouw die zich uitbreidt en een weg aanlegt, een weg aanlegt en welke snaar, de snaar zich spant op de rug is de snaar gespannen dus waar is de hand, de hand van je vader? De voeten cirkelen door terwijl een gat in je rug zich openspert waar het nachtelijke licht in kan vallen en dat is een opening die nog niet kan op klaarlichte dag, hier begint je wereld te beuken met je kin aan je hoofd en de vingertoppen rond het stuur. Wat draai je rond en ze kennen je naam niet, niet al die mensen op de hele wereld, ze kennen je naam niet en hebben die nog nooit uitgesproken. De behoefte aan een binnenland dat je kent, vermenigvuldigt zich rap. Daar draagt de schemerlamp een rode kap. Daar staat een kast met een glazen deur. Daar ligt opklimmende tijd in een veilige huls als de ochtend opnieuw wordt geboren in het huis.                                                                                                              

'Pappa!', roep je uit je tenen aan je voeten.                                                                                

'Ja, je kan het'.                                                                                                                          

Op deze manier klinkt de stem van pappa niet gewoon. Deze stem klinkt ver weg. Je wil naar de stem toegedragen worden. Je draait je hoofd om. Niet alleen de stem. Pappa staat ver weg. Kleiner. Dezelfde uitsteeksels. Zijn armen. Dit is nog steeds dezelfde dag die de hunkering naar de nieuwe fiets voor iedereen had opgemaakt. Je zit steeds op de nieuwe fiets. Maar pappa is veranderd, het verschil te groot. Niets meer te rijmen. Ja, de trappers draaien nog maar wat draai je nog? De schaduw valt over de oude stenen van de straat. Fietsen mensen zo? Dan ligt in de straat. Je wilt niet voorwaarts gaan. Pappa moet niet kleiner worden.

 

DE GESTALTE

Er is een nieuwe gestalte ontstaan op het grasveld. De meeuwen scharrelen er omheen. Het maakt de tijdelijke gestalte meer bijzonder. Sommige meeuwen naderen de gestalte tot aan de rand van de voeten en wijken terug. Alsof ze twijfelen of de gestalte hen gunstig gezind is. De meeuwen willen misschien naderen om dicht in de buurt te komen van de gestalte die met zijn rug naar het water staat en daar in gespiegeld wordt. Misschien dat de meeuwen tijd nemen om te wennen aan de plotselinge gelijkenis van de gestalte met zijn spiegelbeeld. Dat in de gele ogen van de meeuwen, een opvallende dubbele vorm vanuit de lucht viel waar te nemen. Eerst de gestalte van boven af gezien als een stip die begon bij het hoofd, daarna de langgerekte ribbelige vorm in het water. Dat de twee vormen met elkaar hadden te maken, hoe precies wisten de meeuwen niet.

Gisteren raasde de storm en sommige mensen werden wanhopig. Het weer kan alles bezetten. De meeste mensen zijn nog niet bekomen. Ze blijven steeds binnen maar hier staat een gestalte met zijn rug naar de plas over het parklandschap uit te kijken. Het is nog steeds winter. De mensen komen niet regelmatig naar buiten. De meeuwen vormen een onregelmatige kring rondom de zwijgzame gestalte die onbewogen blijft voor hun aanwezigheid. Morgen is de gestalte misschien weg. Het weerbericht stemt gunstig voor mensen die houden van droog weer en weinig wind. Dan zal de plas zich weer gedragen als een jong meisje. Die een naam draagt zoals Eva, bijv. Een jong meisje waarin veel ruimte vlak ligt uitgespreid tussen jonge vlakke organen. Met een vlak gezicht. Eva ligt bij het leven. Wanneer je jong bent lig je bij het leven. Bij de snelweg die langs het park richting Den Haag loopt. De meeuwen vliegen op en vliegen van Eva en de gestalte weg.